kampeerder
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon), (kamperen) iemand die, gewoonlijk tijdens de vakantie, in een tent bivakkeertHet noodweer heeft de kampeerders zwaar getroffen.
Etymologie
* van kamperen
Vertalingen
Engelscamper
DuitsCamper
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek