kameraadschap

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vriend zijn
    ` Als jij me niet gered had was ik nou geen Moeraspaard meer geweest,' zei het Moeraspaard. 'Vroeger noemde de familie dit kameraadschap, het Moeraspaard zelf noemt dit vriendschap. {{Aut|Herzen, Frank

Etymologie

*afgeleid van kameraad

Vertalingen

Spaanscamaradería