kalkoenen
/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (hoendervogels) een voormalige onderfamilie van vogels uit de orde hoendervogels. Het zijn forse vogels die oorspronkelijk uit de bossen, moerasranden en het struikgewas van Noord- en Midden-Amerika komen. Tegenwoordig worden kalkoenen wereldwijd gehouden voor het vlees
Etymologie
* "kalkoen" met de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek