kakofonie
vrouwelijk (de)/ˌkakofoˈni/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- rommelig geheel van vele klanken door elkaarIn een kakofonie van getoeter zet de stoet zich om kwart over negen in beweging.
- (figuurlijk) opvallend gebrek aan overeenstemmingMen kan weinig anders doen dan de ogen dicht knijpen bij een dergelijke kakofonie van kleuren, een eerste reflex die al meteen duidelijk maakt wat er fundamenteel mis is met dit werk, en, in het bijzonder, met de inrichting van deze tentoonstelling.
Etymologie
*via "cacophonie" van "κακοφωνία" (kakofonía), in de betekenis van ‘herrie’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Vertalingen
Engelscacophony
Franscacophonie
DuitsKakophonie
Spaanscacofonía
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek