kaki
onzijdig (het)/kaki/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) dof, geelbruin geweven stof, vanaf de 20e eeuw veel gebruikt voor militaire uniformen
- (kleur) de kleur van de stof kaki hebbendHeeft u die ook in het kaki?
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) de economisch belangrijkste boom uit het geslacht , die wordt gekweekt voor zijn vruchten. De boom komt van nature voor in de Himalaya en in de bergen van Myanmar, Thailand, Indochina, Korea en Japan. Wereldwijd wordt de vrucht gekweekt in de subtropen en in de tropen hoger dan duizend meter. Het is de nationale vrucht van Japan, maar het is mogelijk dat de oorsprong ervan in China ligt, waar men hem 'Chinese pruim' noemt. Daarom wordt de kaki in Europa soms ook onder de naam 'kakipruim' aangeboden. Hij behoort tot de oudste gecultiveerde planten en wordt in China al meer dan 2000 jaar verbouwd. In sommige plattelandsgemeenschappen heeft de vrucht de reputatie hoofdpijn, rugpijn en voetklachten te kunnen genezen
- (fruit) kakivrucht
Etymologie
* via het khaki van het ख़ाकी (khaki) "dof, geelbruin, de kleur van stof" dat weer ontleend is aan خاکی (khak) "stof, as"
Vertalingen
Spaanscaqui, kaki, palo santo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek