kaden
/ˈkadə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een oever van een kade voorzienSimpele polderjongens hebben de dijken opgeworpen, gedempt en gegraven, gekaad en gepolderd, [kortom] het harde, zware werk gedaan.[http://www.zijpermuseum.nl/canon/1609.html Het zijpermuseum]
Etymologie
*: "kade" met de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek