kachel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɑxəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
    Als het koud is in de winter, laat ik de kachel de hele dag aanstaan.

Etymologie

* In de betekenis van ‘dronken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1913

Vertalingen

Engelsstove, heater
Franspoêle
DuitsOfen, Heizung
Spaansestufa