kabots

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) een platte muts of monnikskap die de kruin bedekt
    Een zwart kabotseken heeft het [vogeltje] op zijne kop’Dodendans 55, Stijn Streuvels.
tussenwerpsel
  1. een woord dat de knal van een botsing aangeeft
    Er kwam een auto veel te hard van rechts. Kabots! Hij knalde erbovenop...

Etymologie

*hier komt de etymologie van het woord-->