kabeljauw
mannelijk (de)/ˌkabəlˈjɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straalvinnigen) (visserij) (voeding) middelgrote zoutwatervis en uitstekende consumptievis,Nu moet je ook een lepel pakken, denk eraan dat je eigenlijk een visserszoon bent'Een uur later stonden ze samen bij de steiger in een wolk van krijsende meeuwen en maakten de kabeljauw schoon en deden hun best om de mooiste filets te snijden.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "cabeliau" van Oudnederlands "kabeljau", in de betekenis van ‘beenvis’ aangetroffen vanaf 1101
Uitdrukkingen
- Een spiering (schelvis) uitwerpen om een kabeljauw te vangen — iets kleins aan een ander geven met de gedachte zelf iets groots terug te krijgen
Vertalingen
Engelscod, codfish
Franscabillaud, morue
DuitsDorsch, Kabeljau
Spaansbacalao, abadejo
Portugeesbacalhau
Zweedskabeljo, torsk
Deenstorsk, kabliau
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek