kaakje
/ˈkakjə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- klein, vrij hard baksel van meel dat bij de koffie of de thee genuttigd wordt
Etymologie
**[2] met "kaak (4)" als vertaling van "cake", in de betekenis van ‘koekje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1699
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek