judaskus

mannelijk (de)/ˈjydɑsˌkʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (christendom) kus die Judas aan Jezus gaf, zodat de Romeinse soldaten wisten wie ze gevangen moesten nemen
    Maar het algemene beeld van Judas is middeleeuws en extreem negatief. De Judaskus, zijn zelfverhanging en zijn opengereten ingewanden (beschreven in de Handelingen van de apostelen) komen in steeds afschrikwekkender beeltenissen terug.
    Joessoepov haalde Raspoetin de volgende avond zelf af aan diens woonhuis in de Gorokhowaïa-straat 68, hem naar Russische gewoonte kussend bij het binnentreden. ‘Als dat geen Judaskus is’, mompelde de starets, maar hij ging toch willig mee.

Etymologie

*(eponiem), , verwijzing naar de begroeting van Judas die daarmee zijn leermeester Jezus Christus aanwees zodat de Romeinse autoriteiten hem konden arresteren, zie Marcus [https://www.statenvertaling.net/bijbel/marc/14.html 14:44-45] en Matteüs [https://www.statenvertaling.net/bijbel/matt/26.html 26:48-49]; geschreven met een hoofdletter volgens

Vertalingen

EngelsJudas kiss
Fransbaiser de Judas
DuitsJudaskuss
Spaansbeso de Judas
Italiaansbacio di Giuda
ZweedsJudaskyssen