jongelingsjaren

meervoud

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de periode dat men een jong persoon is
    En met de luchtige en naïeve openhartigheid van een Fransman vertelde de kapitein Pierre over de geschiedenis van zijn voorouders, over zijn kinderjaren, zijn jeugd en zijn jongelingsjaren, en over al zijn familiebetrekkingen, zijn financiële en gezinsaangelegenheden.