jodenkoek
mannelijk (de)/ˈjo.də(n).kuk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) grote, platte koek van zanddeeg
Etymologie
* De bereiding en de naamgeving van deze koeksoort verwijst mogelijk naar een Joods-Iberische (Sefardische) culinaire traditie. Een gelijkaardige koek met dezelfde benaming van “joodse koek” is eveneens bekend in de Scandinavische landen.
Vertalingen
Engelsshortbread
Zweedsjødekaka
Deensjødekage
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek