jeugd
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈjøːxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de tijd van iemands leven dat iemand nog jong isIn mijn jeugd was alles zoveel slechter.In mijn jeugd trokken we elke zomer met vier gezinnen door de bergen. Acht ouders (die de ‘oude takken’ werden genoemd) met tien kinderen tussen de acht en dertien jaar.Waarom God hun alle drie een dergelijke gunst had verleend, was onmogelijk te begrijpen, evenmin waarom hij in hun jeugd hun vader en oom tot zich had genomen door hen te laten verdwijnen op zee.
- de jongeren van een samenlevingDe jeugd van tegenwoordig groeit op voor galg en rad.`Van Sinterklaas tot Sintemaarten' is bestemd voor Nederland en Vlaanderen. Wij hopen van harte dat het boek, mede door de grote toewijding waarmee Otto Dicke het heeft geïllustreerd, met vreugde gebruikt zal worden. Niet alleen voor de jeugd, in gezin en school, maar ook door alleenstaanden en zieken. Kortom: allen die zich willen verdiepen in de 'feestelijke' kant van het leven.
Etymologie
* In de betekenis van ‘jongelui’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1480
Vertalingen
Engelsyouth
Fransjeunesse
DuitsJugend
Spaansjuventud
Turksgençlik
Poolsmłodzież
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek