jas
mannelijk (de)/jɑs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) kledingstuk voor in de buitenlucht, dat over andere kledingstukken heen gedragen wordt en dat zowel de romp als de armen bedektVergeet niet om je jas aan te trekken.Het is Jack Philips, met zijn leren jas en het witte overhemd met de loshangende manchetten.Het lijf van het popje is veerkrachtig en de leren jas is prachtig gemaakt.
- (kaartspel) de troefboer, dat wil zeggen de boer van de kleur speelkaarten die van hogere waarde is dan de andere kleuren kaarten
Etymologie
* In de betekenis van ‘kledingstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1733
Uitdrukkingen
- De hond de jas voorhouden — Iemand valse hoop geven
- Een jas halen — Bedrogen worden, zich misrekend blijken te hebben of teleurgesteld raken
- Hetzelfde in een ander jasje — In de basis nog hetzelfde, maar niet meer in de oude vorm herkenbaar
Vertalingen
Engelscoat, jacket
Fransmanteau, veste
DuitsMantel, Jacke
Spaansabrigo
Japansコート
Poolspłaszcz
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek