janhagel
mannelijk (de)/jɑnˈhaɣəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) rechthoekig, broos koekje, bedekt met grove suiker en eventueel amandelschaafselOp de markt had ik een zak met heerlijke janhagel gekocht.
zelfstandig naamwoord
- (pejoratief) volk met minder maatschappelijk aanzien, van laag allooiAlsof het een ongeschreven gemeentevoorschrift was, bevonden de meeste nachtclubs en kroegen van Ada zich aan de rand van de stad, zodat het janhagel en de rottigheid die het uithaalde een eind bij de nettere burgers vandaan bleven.
- (geschiedenis) (oorlog) (scheldwoord) NSB'ers
Etymologie
**(n): in de betekenis van ‘gepeupel’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Vertalingen
Spaansplebe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek