janhagel

mannelijk (de)/jɑnˈhaɣəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) rechthoekig, broos koekje, bedekt met grove suiker en eventueel amandelschaafsel
    Op de markt had ik een zak met heerlijke janhagel gekocht.
zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) volk met minder maatschappelijk aanzien, van laag allooi
    Alsof het een ongeschreven gemeentevoorschrift was, bevonden de meeste nachtclubs en kroegen van Ada zich aan de rand van de stad, zodat het janhagel en de rottigheid die het uithaalde een eind bij de nettere burgers vandaan bleven.
  2. geschiedenis, oorlog, scheldwoord (geschiedenis) (oorlog) (scheldwoord) NSB'ers

Etymologie

**(n): in de betekenis van ‘gepeupel’ voor het eerst aangetroffen in 1650

Vertalingen

Spaansplebe