jan-in-de-zak

mannelijk (de)/ˈjɑnɪndəˌzɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) gerecht uit bloem, gist en rozijnen, in een toegebonden zak of doek in heet water gekookt en met stroop geserveerd

Etymologie

* (samenkoppeling) van Jan, in, de en zak