jan-in-de-zak
mannelijk (de)/ˈjɑnɪndəˌzɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) gerecht uit bloem, gist en rozijnen, in een toegebonden zak of doek in heet water gekookt en met stroop geserveerd
Etymologie
* (samenkoppeling) van Jan, in, de en zak
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek