jaeger

onzijdig (het)/ˈjeɣər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grof wollen weefsel voor onderkleding
    De gore lange jaeger onderbroeken die Waardenberg & De Jong aantrekken, is kleding van een voorbije generatie en die vinden we belachelijk.
  2. kleding (kleding) onderkleding van die stof
    Erik trok zijn jaeger omlaag en zijn toog omhoog, (…)

Etymologie

*(eponiem), naar de 19e-eeuwse Duitse arts die in zijn boek uit 1880 Die Normalkleidung als Gesundheitsschutz pleitte voor het gebruik van wol in op de huid gedragen weefsels; in de betekenis van ‘wollen weefsel voor ondergoed’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1899