jacuzzi

mannelijk (de)/jaˈkuzi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. badkuip voorzien van kleine openingen waardoor luchtbelletjes of waterstralen om het lichaam te masseren naar binnen worden geperst
    Het eiland schijnt trendy te zijn intussen, met jacuzzi’s, lounges, cocktails en wat dies meer zij.
    Dus ik zit in die hele dure hotelkamer, zo een met een ordinaire jacuzzi en veel te dikke badjassen, open 's nachts de minibar en stuit op een setje golfballetjes met de naam van het hotel erop.

Etymologie

*(eponiem), van "jacuzzi", van de merknaam gebruikt door het familiebedrijf van Amerikaanse Giocondo and Candido Jacuzzi dat in 1968 als eerste zo'n badkuip ontwikkelde; in de betekenis van ‘systeem van onderwaterstralen die het lichaam masseren’ voor het eerst aangetroffen in 1992