izabel
mannelijk (de)/ˌizaˈbɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleur) soort bleekgele of perkamentachtige kleurentint bij dieren, als mengeling van dominant aanwezig geel en witVóór hen stond een klein paard, dat enigszins op een pony leek. Het had een groot hoofd, op zijn rug viel een zwarte streep op en zijn huid was van een onbestemde dofgele kleur, die izabel wordt genoemd.
Etymologie
*via "isabel" of "isabelle" mogelijk van "إِزْبَلَّ" (izballa) "bemest, met de kleur van mest", maar vaak opgevat als (eponiem) dat verwijst naar de 15e-eeuwse Spaanse koninging die tijdens het beleg van Granada volgens een legende zou hebben gezworen pas een ander hemd aan te trekken als die stad was veroverd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek