isoglosse

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) lijn op een dialectkaart (isoglossekaart) die gebieden begrenst waarbinnen een bepaald taalverschijnsel voorkomt

Etymologie

*afgeleid van het Griekse 'glōssa' (tongval, taal)

Vertalingen

Spaansisoglosa