ironie

vrouwelijk (de)/ˌiroˈni/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vorm van spot waarbij je het tegendeel zegt van wat je bedoelt
    De verbitterde ironie van zijn zoon was niet te missen.
  2. letterkunde (letterkunde) spottende uitlating waarbij je het tegendeel zegt van wat je bedoelt
    Misschien is het waar dat je over alles wel ironisch kunt doen, maar het is ook onzin. Er zijn geen twee ironieën aan elkaar gelijk, ik bedoel, elke ironie heeft zijn eigen tint.
  3. figuurlijk (figuurlijk) situatie die als je erover nadenkt het tegendeel laat zien van wat betoogd werd
    Na een heftige periode van drugs & drank kwam hij tot gezonde inkeer, totdat een kwaadaardig gezwel hem alsnog velde in '94. Wat een ironie dat de stand-up comedian in deze Relentless nog flink de draak steekt met gezonde joggers die op tofoe leven, terwijl hij zelf dikke sigarettenrookpluimen uit staat te blazen.

Etymologie

*via """ en Latijn "ironia" van "εἰρωνειᾶ" (eirooneia) "geveinsde onwetendheid", in de betekenis van ‘lichte spot’ aangetroffen vanaf 1650

Vertalingen

Engelsirony
Fransironie
DuitsIronie
Spaansironía
Italiaansironia
Zweedsironi