inwoonster

vrouwelijk (de)/ˈɪnwonstər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouw die in een bepaald gebied woont
    Een inwoonster van Rijssen kwam vorig jaar mei op dezelfde plek met de schrik vrij na een slippartij. "Gelukkig geen schade, maar wel 1,5 keer rond geweest in die tunnel. Ik ben vervolgens direct naar mijn garage gereden om te zien of mijn banden goed waren." Tubantia M. Cellarius 27 september 2018 [https://www.tubantia.nl/rijssen-holten/wegdek-tunnel-rijssen-schoongemaakt-na-ongeval~a1e85374/ Wegdek tunnel Rijssen schoongemaakt na ongeval]
    Een inwoonster van Cannes is overleden aan de verwondingen die ze had opgelopen door een aanval van een stier tijdens het patroonfeest in Aigues-Mortes in het zuidoosten van Frankrijk. Tubantia 7 oktober 2018 [https://www.tubantia.nl/buitenland/franse-vrouw-overlijdt-door-aanval-stier~a4dcdf88/ Franse vrouw overlijdt door aanval stier]
    In een kerk in Roese rouwden vanochtend honderden mensen om de vermoorde journaliste, voorafgaand aan de begrafenis. Ze brachten rode en witte anjers en rouwkransen mee. "Viktoria's dood is een groot verlies voor de stad", zei de 48-jarige inwoonster Zornitsa Koleva. Tubantia 12 oktober 2018 [https://www.tubantia.nl/buitenland/in-duitsland-opgepakte-man-bekent-aanval-op-bulgaarse-journaliste~a16eddd6/ In Duitsland opgepakte man bekent aanval op Bulgaarse journaliste]

Etymologie

* van inwonen