intree

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɪntre/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de keer dat men ergens binnenkomst; de plaats waar men binnenkomt
  2. de keer dat men iets begint
    Mocht de avolatte zijn intree doen – en ik vrees met grote vreze – dan is het hij eruit of ik eruit. De avolatte. Een latte macchiato geserveerd in een avocadoschil. Ik verzin het niet. Of, zoals een criticus het uitdrukte: ‘koffie in een stuk afval’.
    Gelukkig kan de Commissie Intree, herkenbaar aan gele shirtjes, goed met de lichte hectiek overweg. Bij een meisje is de paniek in haar ogen te lezen. Mijn groepje is al weg. Met haar groepsnummer kan een van de commissieleden haar begeleider traceren.

Etymologie

* het intreden