interieurarchitect

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon die de binnenkant van een gebouw ontwerpt
    En één man maakte het verschil: de jonge, briljante interieurarchitect Herman Rosse, ook hij een leerling van Evers.
    Volgens de leraar stuitte de kunstenaar in het gevecht met de materie op geheime lagen van zijn innerlijk waarvan hij het bestaan nooit had vermoed, zodat hij zich beschaamd voelde en die voor nieuwsgierige blikken wilde verbergen; als kunst echter geen inwijdingsritueel was om tot de allerdiepste geheimen door te dringen, was ze geen sikkepitje waard; dikwijls schreeuwde hij met overslaande stem dat zij zich tijdens die vioollessen nog slechts in het voorportaal van de kunst bevonden, alsof hij wilde zeggen dat het tijd werd om het hoofdportaal binnen te gaan.