integratie

vrouwelijk (de)/ɪntəˈɣra(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het integreren d.w.z. het opnemen in één (harmonisch) geheel
    Aan de sluiting van verzorgingshuizen worden twaalf regels besteed, maar daarin wordt het verdwijnen van deze voorziening uitsluitend beschreven als een (kwantitatief) verlies van woonplekken. Terwijl de formule van deze woon-zorgvoorziening juist uniek was: geen scheiding van wonen en zorg, maar juist integratie daarvan.
  2. economie (economie) het samenbrengen in één bedrijf van alle productiestadia
  3. wiskunde (wiskunde) het proces van het integreren, het bepalen van een integraal
  4. politiek (politiek) het doen samengaan van twee voorheen gescheiden bevolkingsgroepen
  5. informatica (informatica) het proces waarmee applicaties berichten en/of bestanden onderling uitwisselen

Etymologie

* van integreren

Vertalingen

Engelsintegration
Fransintégration
DuitsIntegration
Spaansintegración