inruiming

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vrijhouden of vrijmaken van een plaats voor iets of iemand
    In 1914 heeft het ministerie van oorlog, na de instelling van een opperbevel, zich de eigen taak wat al te zeer ondergeschikt voorgesteld. Het had geen ervaring en hield zich, voor de beslissingen omtrent het legerbeheer, achter het opperbevel terug. Voor de inruiming der bestuursbemoeiing ten behoeve van een opperbevel, zal het departement van defensie in den vervolge zich tot de eischen der strategie moeten bepalen. (1931)– [tijdschrift] Gids, De L.M.A. von Schmid [https://www.dbnl.org/tekst/_gid001193101_01/_gid001193101_01_0136.php Eischen en methoden]
    Men zou inruiming van eenige kerkgebouwen in de steden voor de Calvinisten vragen - een gedurfde eisch, waaruit de machtsontwikkeling van de aanhangers der nieuwe leer duidelijk bleek. De Standaard Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 2(1924)–P.J. Blok [https://www.dbnl.org/tekst/blok013gesc02_01/blok013gesc02_01_0002.php Het voorspel]

Etymologie

* van inruimen