inpeperen

/ˈɪmpepərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) bestrooien van voedingsmiddelen met peper
    Heb je het hamlapje al ingepeperd?
  2. (bij een discussie) iemand de les lezen.
  3. ditr (ditr) iemand ergens voor bestraffen
    Hij heeft dat flink ingepeperd gekregen.

Etymologie

* of samenstellend afgeleid van "in" en "peper" , in de betekenis van ‘betaald zetten’ voor het eerst aangetroffen in 1564