inhaling

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. feestelijke verwelkoming
    Hij werd, den 15den Maart van dat jaar zijne geboortestad bezoekende, door den magistraat plegtig, onder het luiden der klokken en het losbranden van het kanon, binnengehaald, op welke feestelijke inhaling, door Nicolaus Lilius à Westerhoven, inwoner van Delft, doch van Bohemen geboortig, een Latijnsch vers gemaakt is. Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 4(1858)–A.J. van der Aa [https://www.dbnl.org/tekst/aa__001biog05_01/aa__001biog05_01_0312.php Christophorus Delphicus Graaf van Dhona]
    Voor die inhaling? Wel, mensch, er komen hier zoo weinig rijke menschen in den Hemel, dat 't muziek uitgaat elken keer dat er een binnenkomt. De Vlaamsche vertelselschat. Deel 2(1927)–Victor de Meyere [https://www.dbnl.org/tekst/meye015vlaa04_01/meye015vlaa04_01_0087.php De rijken in den hemel]

Etymologie

* van inhalen