ineenvouwen

/ɪnˈeɱvɑuwə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) herhaaldelijk samenbuigen
    Elk gedrukt boek bestaat uit katernen: bundeltjes bladen die ontstaan door het ineenvouwen, in de vouw vastnaaien en opensnijden van een aan weerszijden bedrukt vel.
  2. erga, figuurlijk (erga) (figuurlijk) kleiner worden, sterk verminderen
    Maar de winter kwam aan. Franciscus vreesde dat hun moed zou ineenvouwen.
  3. ov (ov) (van handen) met palmen tegen elkaar houden en de vingers verstrengelen
    Een onzegbare ontroering deed haar de handen ineenvouwen over het zusterkleed (…)