inconsistentie

vrouwelijk (de)/ˌɪŋkɔnsɪsˈtɛn(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gebrek aan samenhang, innerlijke tegenstrijdigheid
    Mensink: „Dat is een constante inconsistentie in veel onderzoek naar de publieke opinie. Veel mensen vinden dat er te veel vluchtelingen komen, maar voelen ook een morele plicht om vluchtelingen op te vangen. De grenzen volledig sluiten, gaat ze dan toch te ver.”
    Striplezers hechten zeer aan ‘continuïteit’ en dus moest er in de stripverhalen zelf een uitleg komen voor de inconsistenties.
    {{ouds

Etymologie

*van "inconsistency", op te vatten als afgeleid van "inconsistent" , in de betekenis van "innerlijke tegenstrijdigheid" aangetroffen vanaf 1845 (zie vindplaats hieronder)