inclusief

/ˌɪŋklyˈzif/

Betekenis

voorzetsel
  1. met inbegrip van
  2. als verbinding met een onderdeel waarvan niet vanzelfsprekend is dat het in het geheel wordt meegenomen
    Vijf mensen waren er: drie senioren – inclusief mezelf – en twee jongeren.
    Muzikanten, dansers en theatermakers zijn gewend om uitgebreid applaus in ontvangst te nemen inclusief grote bos bloemen.
  3. om de aandacht op een onderdeel te vestigen
    De meeste rijke mensen (30 miljoen dollar plus) wonen volgens het Wealth Report nog steeds in de VS. Maar de kans om je uit armoede te bevrijden, de sociale mobiliteit, is in Noord-Europa – inclusief Nederland – véél groter dan in de VS.
    Die top duurde maar liefst negentig uur, omdat Europese leiders zich ervan bewust waren dat ze samen door één deur moeten, en dat ze daarom naar alle stemmen, inclusief die van de dwarsliggers, moeten luisteren.
    De normale prijs is €20, inclusief 40% korting is de prijs dus €12.

Etymologie

**[B.3.] Aangetroffen sinds 2012.

Vertalingen

Engelsinclusive, including
Fransinclusivement
Duitseinschließlich
Spaansincluido, inclusivo