incasseren
/ˌɪŋkɑˈserə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (geld) in ontvangst nemenDe verenigingen Buma/Stemra en SABAM incasseren, elk in hun eigen land, vergoedingen voor de rechthebbenden van muziekstukken.
- (ov) (klappen, beledigingen) te verduren krijgenDe bokser was aan de winnende hand; zijn tegenstrever moest de ene klap na de andere incasseren.
Etymologie
*Ontleend aan het Italiaanse incassare.
Vertalingen
Engelscollect, cash, receive
Fransencaisser, recouvrer, souffrir
Duitseinkassieren, kassieren, einziehen
Spaanscobrar, percibir, encajar
Zweedsinkassera
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek