imago

onzijdig (het)/iˈmaɣo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. maatschappij (maatschappij) bepaald beeld dat van een persoon of instelling bestaat
    Het imago oppoetsen.
    Het consternatiebureau, met de baby naar de apk of ‘we moeten weer naar de babystasi’: het imago van het consultatiebureau is niet altijd even positief. Toch gaan we massaal: slechts 5 procent van alle Nederlandse ouders slaat de bezoekjes over.
    Ben & Jerry's laat via Twitter weten dat het niet achter het besluit van Unilever staat. Het ijsmerk, dat een activistisch imago heeft, haalde het ijs eerder van de Israëlische markt omdat de verkoop in de nederzettingen in Palestijns gebied niet past bij de normen en waarden van het bedrijf. Dat was niet naar de zin van veel Israëliërs, die het merk in meerdere landen probeerden te boycotten.
zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) resultaat van de volledige gedaanteverwisseling bij een insect
    Als volwassen imago zijn de soorten zeer moeilijk van elkaar te onderscheiden maar bij de nimfen is dat anders en is het verschil tussen de soorten voor een geoefend oog goed te zien.

Etymologie

**[2] in de entomologische betekenis sinds zeker 1880 al bekend

Vertalingen

Fransimago
Spaansimagen, imago
Russischимаго