ijs
onzijdig (het)/ɛis/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde) de vaste vorm van water, bevroren waterWater wordt op 0° Celsius ijs.Het ijs is nog niet dik genoeg om op te staan.Het was een ijskoude nacht en ik werd meerdere malen bibberend wakker. Verbaasd zag ik de volgende ochtend dat er een dun laagje ijs op mijn tent lag.
- (voeding) een lekkernij, meestal op basis van zuivel, die in bevroren toestand wordt gegetenIJs is een geliefd verfrissingsmiddel tijdens warme zomers.Ik heb haar niet uitgemaakt voor racist! Straks gaat ze ook nog Israël, het Palestijnse conflict en Ben en Jerry's ijs erbij halen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘bevroren water of room als lekkernij’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1793
Uitdrukkingen
- IJs en weder dienende — als de (weers)omstandigheden meewerken [https://onzetaal.nl/taaladvies/ijs-eis-en-weder-dienende onzetaal.nl]
- Als het water zakt, dan kraakt het ijs. — een logisch gevolg; humoristisch gebruikt voor het laten van een wind tijdens het plassen
- Beslagen ten ijs komen — goed voorbereid zijn en zeker zijn
- Het ijs is gebroken — na een kil begin is men vriendelijk tegen elkaar
- Met Sint Juttemis als de kalveren op het ijs dansen — Nooit! (Sint Juttemis valt op 17 augustus, en dan ligt er geen ijs)
- Niet over één nacht(s) ijs gaan/men gaat niet over ijs van één nacht — Een voorzichtige aanpak hanteren. Niet overhaast handelen.
- Onbeslagen ten ijs komen — niet voorbereid zijn
- Zich op glad ijs wagen/begeven — ergens over gaan praten waar die weinig van af weet
Vertalingen
Engelsice, ice cream
Fransglace, glace
DuitsEis, Eis
Spaanshielo, helado
Italiaansghiaccio
Portugeesgelo
Russischлёд
Arabischجليد
Turksbuz, dondurma
Poolslód
Zweedsis, glass
Deensis, is
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek