identiteit

vrouwelijk (de)/ˌidɛntiˈtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (van een persoon) geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
    Ooit geloofde Jongstra dat zijn identiteit ‘een feit’ was, noteert hij in het begin, maar feit en fictie blijken schijngestalten. De wereld is een onvaste plaats geworden. Van de weeromstuit zoeken we vertwijfeld ankerpunt, meerpaal, stoothout. We stellen onze hoop in de illusoire standvastigheid van de grens, de norm, de eigenheid, de taal. Maar, zegt Jongstra: ‘Identiteit is twee dingen. Dat je weet waar je bij hoort, en ook inziet wat je anders maakt.’ de Standaard VRIJDAG 10 MAART 2017
    Mijn schrijven werd de spil waaromheen mijn hele identiteit en geluk draaiden.
    De stad Florence gaat er prat op de hoofdstad van het calcio te zijn geweest, hier raakte het spel nauw verbonden met de stedelijke identiteit en met het regime van de Medici.
  2. (van een persoon) ondubbelzinnige aanduiding van iemand als uniek persoon door een autoriteit
    De agent vroeg of ik mijn identiteit kon aantonen.
    Ze zag al voor zich dat ze overboord gegooid zou worden omdat ze een valse identiteit had aangenomen.
    Iedere Europese burger krijgt de komende jaren het recht zijn digitale identiteit zelf te bewaren en beheren.
  3. wiskunde (wiskunde) iets wat precies dezelfde betekenis oplevert
    De formule – die dateert uit de 18e eeuw! – is de volgende vergelijking: eiπ+1=0, en wordt ook wel de identiteit van Euler genoemd, naar de Zwitserse wiskundige Leonhard Euler.

Etymologie

* gevormd uit "identité", in de betekenis van ‘(persoons)gelijkheid’ aangetroffen vanaf 1824

Vertalingen

Engelsidentity
Fransidentité
DuitsIdentität
Spaansidentidad
Portugeesidentidade
Turkskimlik, hüviyet