hypotheek

vrouwelijk (de)/ˌhypoˈtek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) zakelijke zekerheid die een onroerend goed zonder buitenbezitstelling bezwaart om een vordering tot terugbetaling van een geldlening bij voorrang boven concurrente schuldeisers te verhalen
    We zijn al jaren bezig met het aflossen van onze hypotheek.
    Dankzij de vele betalende gasten dekt die ene kamer nu de hypotheek voor ons hele huis en kunnen we ook langzaam onze hypotheekschuld gaan afbetalen.

Etymologie

* Leenwoord uit Frans hypothèque, ontleend aan Latijn hypothēca, zelf ontleend aan Oudgrieks hypothḗkē ‘onderpand’, afleiding van hypotithénai ‘als onderpand geven’, samengesteld uit hypo- ‘onder’ en tithénai ‘stellen, leggen’.

Vertalingen

Engelsmortgage
Franshypothèque
DuitsHypothek
Spaanshipoteca
Italiaansipoteca
Portugeeshipoteca
Poolshipoteka
Zweedshypotek