huls
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- omhulsel of koker bij munitie waarbij de huls het kruit bevat
- tweekleppige vrucht zonder middenschot zoals bij een peul
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘koker’ voor het eerst aangetroffen in 1542
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek