huls

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. omhulsel of koker bij munitie waarbij de huls het kruit bevat
  2. tweekleppige vrucht zonder middenschot zoals bij een peul

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘koker’ voor het eerst aangetroffen in 1542