huizenkant

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de bebouwde kant van een weg
    Dragend de blinkende bril stapte Jaap in zijn smoeselig pakje, ten tweede maal de koepels langs, aan de huizenkant blijvend, de groote gevels en stallen langs waar klanten woonden van de baas.