huiszoeking

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een actie waarbij iemands huis, meestal door de autoriteiten, doorzocht wordt
    Een huiszoeking vereist een door het hof daartoe afgegeven bevel.
    De Deense collega's binnen de PET hadden de Appels jarenlang op de hielen gezeten zonder dat ze een verdenking rond konden krijgen die sterk genoeg was om de aanklagers voldoende grond te geven voor de aanhouding van en vooral voor de huiszoeking bij de verdachten.

Etymologie

*Samenstellende afleiding van huis en zoeken