woorden
boek
Start
›
H
›
huisdeur
huisdeur
mannelijk/vrouwelijk (de)
/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
de deur aan de voorkant van het huis
Als je op vakantie gaat moet je de huisdeur goed afsluiten.
Synoniemen
voordeur
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← huisden
huisdeuren →