huisbel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhœyzbɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een instrument waarmee bezoekers, via een geluidssignaal, aangeven dat ze aan de voordeur van een woning staanZelfs het glas van een binnendeur sneuvelde. Scherven en bakstenen op haar bed. Enkele maanden daarvoor was er bij haar ingebroken en was haar camera gejat. Tijdens onze vakantie in 2011 is de huisbel gesloopt. Het Parool HANNELOES PEN 9 JUNI 2015 [https://www.parool.nl/amsterdam/appels-en-stenen-door-de-ruit-op-een-lief-pleintje~a4065561/ Appels en stenen door de ruit op een lief pleintje]Inhoudelijk valt er weinig tot niets te vertellen. Maar de gelijklopende aanpak van de twee partijen verbaast. Allebei hengelen ze bij de Antwerpenaar naar ideeën over het te voeren beleid. Daarvoor gaan ze de straat op, organiseren ze themadebatten en trekken ze letterlijk aan de huisbel van de sinjoor. Uit die berg van informatie distilleren ze een programma. De Standaard 28 APRIL 2017 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20170427_02855801 Help, nog een partij met een ideeënfabriekje]
Vertalingen
Engelsdoor-bell, bell at front door
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek