hugenoot

mannelijk (de)/ˈhyɣəˌnot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie, geschiedenis (religie) (geschiedenis) calvinist uit het Frankrijk van de 16de en 17de eeuw die na 1685 vogelvrij verklaard werden in Frankrijk
    Het centrum van Groede ligt er in een vierkant om de kerk inderdaad nog altijd authentiek bij. De gotische kerk heeft een merkwaardige, achthoekige toren die uit de veertiende eeuw stamt. Het mooie kerkgebouw is in de zeventiende eeuw door een scheidingsmuur gesplitst in een protestantse Nederlandse kerk en een eveneens protestantse Franse kerk, die de vele hugenoten van Groede tot bedehuis diende. Aan het begin van de negentiende eeuw is die muur neergehaald. De kerk is buiten de dienst niet te bezoeken.{{Aut | Zaal, Rik
    Na een aantal uitstapjes naar Napels en de Vesuvius, Florence en Milaan, trok Arnout over de Alpen naar Genève, waar hij ruim een halfjaar verbleef. Deze calvinistische stad was de ideale locatie voor de jonge reiziger om zijn Frans te verbeteren, paardrijlessen te nemen en kennis te maken met de plaatselijke elite van bankiersfamilies. De laatste etappe van Arnouts reis liep via Grenoble, Marseille, Montpellier, de Hugenotendorpjes in de Loirevallei en de hoofdstad Parijs. {{Aut | Geerdink, Nina Jos Joosten, Johan Oosterman

Etymologie

*van "huguenot", een verbastering van "Eidgenosse", in de betekenis van ‘Franse protestant’ aangetroffen vanaf 1565

Vertalingen

EngelsHuguenot
Franshuguenot