houtsplinter
mannelijk (de)/ˈhɑutsplɪntər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- smal naaldvormig houtdeeltjeHet evangelie maakt immers duidelijk dat wij mensen er toe doen, dat wij meer zijn dan houtsplinters op de oceaan, meer dan speldenknopjes in een onmetelijk, uitdijend heelal.De gealarmeerde agenten konden ook in het donker het spoor van de jonge coureur met zijn bijzondere sleep gemakkelijk volgen. Onderweg waren voldoende houtsplinters achtergebleven, op de straat, de stoeprand en de vangrails. Verscheidene verkeersborden sneuvelden.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek