houtluis

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɑutlœys/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor verschillende soorten insecten die hout eten, zoals , of de larven van
    {{ouds
  2. (Suriname) termiet, insect uit de orde
    De eigenaar had verzuimd het gebouw te onderhouden en gaf daarmee de natuurelementen, houtluizen en ander ongedierte alle ruimte om een stukje koloniaal verleden te vernietigen.
  3. bijnaam voor een timmerman
    Ik hield vast aan de gedachte dat het een totaalboek moest worden. Alle materialen moesten aan de orde komen. Dat kostte mij hoofdbrekens, want ik ben smal opgeleid. Vroeger kende de technische opleiding twee richtingen: timmeren en metaalbewerken. Je was gewoon een houtluis of een roestkrabber. Nu moest ik mij zo breed mogelijk oriënteren.

Vertalingen

Engelsdeathwatch beetle, wood louse