Houtduif

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɑudœyf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. duifachtigen (duifachtigen) bepaalde soort wilde duif,
    Toen ik die eerste keer voor hem stond, in de gang voor de provisiekamer, had ik net zo goed een teleurstellend kleine houtduif kunnen zijn die hij wel of niet zou laten plukken voor het eten.

Etymologie

*van Middelnederlands "houtduve", op te vatten als

Vertalingen

Engelswoodpigeon, wood pigeon
Franspigeon ramier, palombe, ramier
DuitsHolztaube, Wildtaube, Ringeltaube
Spaanspaloma torcaz, torcaz
PoolsGołąb grzywacz
Zweedsringduva