houtbewerking

vrouwelijk (de)/ˈhɑudbəˌwɛrkɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) aanpassing van materiaal afkomstig van stammen en takken met gereedschap of machines zodat het de gewenste vorm en afwerking krijgt
    Ik heb drie jaar in Antwerpen op een vrije school gezeten. We kregen weven, koper slaan, houtbewerking, boetseren, schilderen, tekenen, etsen, toneel én alle reguliere middelbare schoolvakken.
    De afbeelding was waarheidsgetrouw: niet geschilderd maar ingelegd, een toen gangbare methode van houtbewerking. De makers sneden motieven uit fineer van verschillende houtsoorten, die werden ingelegd in een paneel.
    Zijn vader volgde nooit een opleiding, hij heeft baantjes in de houtbewerking en de plaatselijke industrie.

Etymologie

* van houtbewerken