houder
mannelijk (de)/ˈhɑudər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die een bepaald stuk/recht in handen heeft
- iemand die dieren in bezit heeft
- object dat iets zo omvat dat het op zijn plaats blijft
Etymologie
*afgeleid van houden
Vertalingen
Engelsholder, holder, socket
Spaansportador, propietario, portador
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek