hospes
mannelijk (de)/ˈhɔspɛs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een man die een of meer kamers in zijn eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaalHet lijkt wel alsof er veel minder hospites dan hospita's zijn.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘persoon bij wie men op kamers woont’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1692
Vertalingen
Engelslandlord
Franspropriétaire
DuitsZimmerwirt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek