horoscoop

mannelijk (de)/ˌhorɔsˈkop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. astrologie (astrologie) voorstelling van het hemelgewelf, gezien vanuit een specifieke plaats op aarde op een welbepaald moment
    Het maken van een horoscoop is belangrijk in de astrologie.
    „Wim, ik ga jouw horoscoop laten trekken!”, zegt Thea tegen Wim Burger (63), haar ex-man en de vader van Sandra, die op het punt staat om naar huis te gaan.
  2. astrologie, metonymisch (astrologie) (metonymisch) analyses als karakterbeschrijvingen of toekomstvoorspellingen, gemaakt op basis van de voorstelling van het hemelgewelf op een bepaalde plaats en tijd
    Linde ziet in de tijdschriften bij koffiehuis Venera steeds horoscopen die ze uitknipt voor haar Engelse les. Ze laat de vrouwen, ingedeeld naar sterrenbeeld, elkaar hun horoscoop voorlezen en uitleggen.

Etymologie

*via "horoscope" of direct van middeleeuws Latijn "horoscopus" dat teruggaat op "ὡροσκόπος" (hooroskópos) "iemand die kijkt naar tijden"; in de betekenis van ‘punt van ecliptica tijdens geboorte-uur, waaruit de toekomst blijkt’ voor het eerst aangetroffen in 1626

Vertalingen

Engelshoroscope
Franshoroscope
DuitsHoroskop
Spaanshoróscopo